De hal is de ruimte met de meeste taken op de kleinste vloer: schoenen uit, jas weg, sleutels neerleggen, post neerleggen, en dat alles op een strook die vaak geen anderhalve meter breed is. Daarom is de eerste vraag in de hal wat de kast van de doorgang overlaat; wat hij bergt, komt daarna.
Wat er van de hal overblijft
De norm die een gangbreedte in woningen becijfert, is die voor toegankelijk bouwen. DIN 18040-2 eist voor gangen binnen woningen een bruikbare breedte van minstens 120 centimeter en één keer een draairuimte van 150 bij 150; voor deuropeningen en doorgangen houdt de norm 90 centimeter aan. Dat geldt voor de toegankelijke woning, maar de cijfers dienen als maatstaf voor elke hal: onder de 90 centimeter wordt een doorgang krap, met een boodschappentas of kinderwagen onaangenaam.
Een staande kast is 35 centimeter diep, een wandkast van halve planken 15. In een gang van 120 blijft naast de staande kast 85 centimeter over, minder dan de 90 van de deur; naast de wandkast 105. Pas vanaf 140 centimeter gangbreedte blijft naast een staande kast de 105 over die je zonder nadenken passeert. De tabel rekent het uit voor vier gangbreedtes.
| Gangbreedte | Naast staande kast (35 cm) | Naast wandkast (15 cm) | Oordeel |
|---|---|---|---|
| 100 cm | 65 cm | 85 cm | alleen wandkast, en ook dat is krap |
| 120 cm | 85 cm | 105 cm | wandkast; staand alleen een schoenenbank onder kniehoogte |
| 140 cm | 105 cm | 125 cm | allebei mogelijk |
| 160 cm | 125 cm | 145 cm | garderobe met schoenenbank blijft boven de 120 van de norm |
Eén uitzondering staat in de tweede rij: een meubel dat maar tot kniehoogte reikt, versmalt de gang onderaan, niet op schouderhoogte, waar je elkaar passeert. Een schoenenbank van 41 centimeter hoog werkt in een gang van 120; een staande kast van twee meter op dezelfde plek niet.
Schoenmaten op 35 en 15 centimeter
Schoenmaten volgen de Parijse steek: één steek is twee derde centimeter, en de maat is de leestlengte in centimeters maal anderhalf. Omgekeerd geeft maat gedeeld door 1,5 de leest: 24 centimeter bij maat 36, 28 bij 42, 30 bij 45, 32 bij 48. Zool en neus komen er aan de buitenkant bij; wij rekenen met één tot twee centimeter, dat is een schatting, geen normwaarde. Een schoen in maat 48 meet daarmee ongeveer 34 centimeter en staat in de lengte op een plank van 35. Kleinere maten sowieso.
Op de halve plank van 15 centimeter staat geen enkele schoen in de lengte. Hij ligt dwars, evenwijdig aan de muur, en dan passen er twee naast elkaar, één paar per niveau. De halve plank in de hal is daarom de plank voor al het andere: sleutels, post, handschoenen, de zonnebril. Schoenen horen op 35 centimeter, en daar staan er bij ongeveer tien centimeter schoenbreedte zes naast elkaar, drie paar per niveau. Met twee niveaus voor schoenen zijn dat zes paar die je dagelijks draagt; de rest woont in de kast.
| Maat (EU) | Leestlengte | Schoen buitenmaat, ongeveer | In de lengte op 35 cm | In de lengte op 15 cm |
|---|---|---|---|---|
| 36 | 24,0 cm | 25 tot 26 cm | ja, 3 paar per niveau | nee, dwars 1 paar |
| 42 | 28,0 cm | 29 tot 30 cm | ja, 3 paar | nee, dwars 1 paar |
| 45 | 30,0 cm | 31 tot 32 cm | ja, 3 paar | nee, dwars 1 paar |
| 48 | 32,0 cm | 33 tot 34 cm | ja, krap | nee |
De zithoogte van de schoenenbank
Om schoenen aan te trekken ga je zitten, en de zithoogte heeft een lichaamsmaat: de onderbeenlengte. Volgens DIN 33402-2 is die 37,5 centimeter bij kleine vrouwen, vijfde percentiel, en 49 bij lange mannen, 95e percentiel. Daartussen zit iedereen die in een woning schoenen aantrekt. Onze schoenenbank is 41 centimeter hoog. Voor een kleine vrouw met een hak klopt dat precies; voor een lange man is het laag, met reden: een bank waarop je gaat zitten om je veters te strikken mag lager zijn dan een stoel, omdat je naar voren buigt. Wie er langer op wil zitten, neemt de volgende stap in het raster, 49 centimeter met twee planken en 35 centimeter afstand, en heeft eronder de box voor de schoenen.

